Gedichten

Jeannette is lid van het Alkmaars Dichtersgilde. Dit in 2009 door de toenmalige stadsdichter Margreet Schouwenaar opgerichte Dichtersgilde bestaat naast Jeannette uit Adrie Oudejans, Anneke Goddijn, Hilde Slooff en Petra van Rijn. Eerder maakte Jeannette deel uit van het dichterscollectief Hadewych & Co. Ze geeft geregeld voordrachten. Voor een overzicht hiervan en aankomende optredens, zie ‘Nieuws‘.

Jeannette’s werk is opgenomen in verschillende bundels, waaronder ‘Door de hand van Rembrandt‘ (2006), ‘Gedichten over schilderijen van Jan Vanriet’ (2012), ‘Kraaien verjagen – Gedichten over Vincent‘ (2015) en ‘Saturnus boven de Vinkeveense Plassen’ (2017). Klik hier voor een uitgebreid overzicht van alle publicaties. Scroll naar beneden om enkele gedichten te lezen, of klik op een van onderstaande foto’s.

ZANGER-VERTELLER

Ze zagen hem vanuit de verte aankomen
de sneeuw bedekte verte, de koude verte
en ze maakten plaats bij het vuur,
schonken boter bij de thee, vulden
leren zakken met arak
en hij kwam, de vreemdeling,
zanger, verhalenverteller met zijn
viool. Hij zette zich in hun kring
en na een goede slok sloeg hij de
snaren aan, schraapte zijn keel en
zong-vertelde het verhaal van een
 op leven en dood strijdende helden
zon blonk in hun scherp
gewette zwaarden, in hun dolken

Ze luisterden, de  mannen,
de vrouwen. Ze zagen de strijd,
voelden aderen vol adrenaline,
hielden hun adem in wanneer
de verteller de hoofdman
uit het zadel liet vallen, een zwaard
scherp op zijn keel. En zuchtten
wanneer hun held ontkwam
zagen wimpels van triomferende
strijders. Zagen buitgemaakte
vrouwen en mannen
Arak ging rond

Toen het vuur doofde,
de zanger eindelijk zweeg en 
zich in zijn dikke mantel wikkelde
droomden de mannen, de vrouwen,
de kinderen van de veldslag
dreven hun paarden voort
schoten hun pijlen
hun zwaarden ketsten tegen
zwaarden,  trommels roffelden

Ze sliepen, maar diep van binnen
klonken klanken van viool
zong een donkere stem
wondere verhalen van
helden en strijd.

             ——

BELLOROPHON’S TOMBE

 Jij overmoedige dwaas
was het niet genoeg dat je
het dichterspaard temde,
het woeste, vurige monster versloeg?

Prins, halfgod, held,
waarom je scharen onder Zeus
en andere goden?
Je kreeg wat je toekwam:
een horzel onder het zadel,
een val, de rotsige, steile,
de sneeuwbekapte Olympus af
en verder….

Hier is je graf, hol klinken
stemmen. Waar is je sarcofaag?
Er staan vier uit rotsen gehakte zuilen,
twee nog niet eens af omdat
men je resten niet vond
verloren moeite om verder te gaan

Hoog in de rots prijkt je tombe
met versieringen van Chimaera
en Lycische koning, het paard
dat je droeg

Waarom, jij uitverkorene, gezegende,
onoverwinnelijke,
was alleen god zijn
genoeg?

                     ——

DAAR STEKEN DE BERGEN ELKAAR DE LOEF AF

Daar steken de bergen elkaar de loef af
en is het witter dan lakens op de bleek
men hakt er graven in steenharde bodem
en wilgen hebben de hoogte van dwergen

daar trekken bewoners als beren in holen
zich terug in hun kleurige huizen
drinken zich zatter dan zat
zingen om het hardst met hun huilende honden

dat weerbarstige land raakt
de wind blaast handen, haren
nieuw en licht, als dwarrelende vlokken
op een heldere winterse dag.

                     ——

DOOR IJSKOUD WATER WAADDEN WIJ

Door ijskoud water waadden wij
over keien zo groot als struisvogeleieren
naar de rand van het eiland
we gleden uit, trokken ons op aan
rotsen, zagen vogels
als duizend witzwarte stippen

een man, gewend aan bergen,
klom hoger, zette zich tussen
opfladderende dieren
bevroor als het ijs in de Barentsz-zee
werd kei, werd steen, werd rots
werd één met zijn camera
dat zagen wij door onze kijkers

’s avonds sloegen de vogels
tien keer groter
op het scherm hun vleugels uit
zagen we het pluis van hun kuikens
opwaaien in de wind.

                     ——

HOE VERLATEN KAN EEN PLAATS ZIJN

Longyearbyen, Spitsbergen

Een haven, grijze huizen,
daken van blinkend staal
een straat waar een kanon
geen schade aanricht. Hoe
verlaten kan een plaats zijn
met wegen, bruin van aarde
een betonbrug; ijskoud water

voor een winkel (geweren buiten laten)
klauwt een opgezette ijsbeer
zijn plastic nagels door de mist
sneeuwscooters wachten eenzelvig
op verhevigd leven in de brouwerij

alleen wit wollepluis wuift
collectief in straffe wind.

                     ——

NERGENS HANGEN DE WOLKEN ZO LAAG

Wolken boven Erik’s Fjord

nergens hangen de wolken zo laag
als in Qassiarsuk. Een band vormen zij
tussen rotsen en grazige heuvels
onzichtbaar zijn de blatende schapen

in lange rij schuiven wolken langs
de vochtige stenen van hoeve Brattahild
eens sliep men hier rond het vuur
water bevroor in tinnen ketels

er was geen vogelvrij maar vrijheid,
een veilige haven, mals gras,
ademruimte, wild en vis bij de vleet
en Erik de Rode als hoogste hoofdman

maar hoor hoe in de bemoste kapel
nog steeds de echo klinkt van heimwee en
vrouwentranen als druppels zo licht
dat zij tot grijswitte wolken verdampen

zo lang geleden. Nog steeds schuiven
wolken laag langs een steiger, een
zanderig pad, ronden Erik’s fjord.
Spinnen traag hun lint van verlangen.

                     ——

CRATER LAKE

de uitgebarsten krater
heeft zich gevuld
met inblauw water
het laatste ijs
als staar maakt plaats
voor spiegeling van
sparren en besneeuwde
kraterranden
het is een sprookje
roepen de toeristen

mijn zusje en ik
twee figuurtjes
in te groot doorzichtig
plastic, dichte witte mist
en in de diepte opborrelend magma
vuur, as dat mist zwart kleurt
Goliath of een andere reus
woonde er, wisten wij
zijn gloed verjoeg ons
de grond te heet onder onze voeten.

                     ——

STRIJKLICHT LANGS LEMEN MUREN

Al Kanaatir, Oman

strijklicht langs lemen muren
gebogen ramen en kantelen
deuren tonen structuren
van verwering, krassen, kerven,
hangen onthand in hun hengsels

de bruin aarden vloer ontbeert
een handgeweven tapijt
gestapeld aardewerk
ontbreekt op schappen

van palmhout geweven matten
steken uit daken, kraken
verdroogd hangt de bijenraat
aan een latei.

                     ——

ZOMERMAALTIJD

aan lange tafels zaten wij rond
de rijkbeladen dis vol Indisch eten
herinnering aan vroeger, niets was zij vergeten
de rozen geurden in de avond

en zij, zo stralend blij, wist zich omringd
door ons en al haar goede vrienden
als wij keer op keer onszelf bedienden
genoot zij lachend: een opgewonden kind

en ieder jaar opnieuw, tot op die dag
dat wij buiten zaten en zij binnen lag
maar ramen open, zodat zij ons kon horen

een zomermaaltijd is nadien als nooit tevoren
een hecht met elkaar verbonden zijn, en och,
soms hoor ik in de rozenruis haar lachen nog.

                              ——
HAMA, SYRIË

’s Middags kwamen de vogels
wel vijftig duiven stegen op,
een witte wolk

ze zwenkten, leken op te lossen
in de lucht, draaiden en
werden weer wit

ze schreven vrijheid
op de hemel boven Hama

ze schreven vrijheid
een laatste vlucht voor zwarte nacht.

                          ——

DE HONGERIGEN SPIJZEN

ze zijn als vroeger
op weg naar het Beloofde Land

de honger bijt als een wolf
in hun lijf

laat het wonder in Gods naam
nog eenmaal geschieden

laat zwermen kwartels
neerstrijken op het veld
vlees om te braden, vlees
om hongerig op aan te vallen

laat de aarde iedere morgen
door fijne sneeuwwitte korrels
bedekt worden: voedzame manna
om brood van te kneden

o, de geur van vers gebakken brood
smaak van korianderzaad, smaak van honing

spijzig de hongerigen, voedt hen
laat het geitenmelk regenen
en sinaasappels en citroenen
aan dorre struiken groeien

wees barmhartig, wees mild
reik hen Uw hand